Dit gebakvorkje maakte deel uit van een set van 12, bewaard in de originele etui. Gebakvorkjes ontstonden in de tweede helft van de 19e eeuw. Ze zijn kleiner dan dessertvorken, en hebben één dikkere, schuin afgezette tand die gebruikt kan worden om gebak mee af te snijden. Dit vorkje heeft daarnaast twee lange, spitse tanden en een smalle steel met drie facetten. Het steeluiteinde is gematteerd en heel fijn gespikkeld. Rond de omtrek van het steeluiteinde is een dubbele stippellijn gegraveerd. Tot slot is de lepel gedecoreerd met ajourwerk in de vorm van een gestileerde bloem.