Deze neogotische meubels zijn afkomstig uit het Gentse atelier van Petrus Pauwels. Hij richtte het atelier op in 1887 als werkhuis voor meubels en beeldhouwwerk, met de nadruk op kerkmeubilair. Pauwels overleed in 1896, waarna de werkleider Albert-Jozef Sinaeve trouwde met zijn weduwe Maria-Amelia D'hondt en het atelier Sinaeve-D'hondt werd. In 1914 werd de werkplaats overgelaten onder dezelfde naam. Het werkhuis had opdrachten over heel Vlaanderen en Brussel. Zo zorgden ze bijvoorbeeld mee voor het beeldhouwwerk aan de Gentse Sint-Baafskathedraal of het Sint-Pietersstation. De meubels in de collectie van het museum waren in gebruik in de Gentse woning van Rosa en Maria Pauwels, dochters van Petrus Pauwels.
Het atelier was nauw verbonden met de Sint-Lucasscholen. Zo werkten er bijvoorbeeld verschillende leerjongens in het atelier en was Petrus' zoon, Pierre Pauwels, leraar in Gent en Doornik. Net zoals de scholen, volgde het atelier ook de opvattingen van de neogotiek volgens Jean-Baptiste Bethune, die op zijn beurt de neogotiek van de Engelse Pugin in België introduceerde. Deze 'Gothic Revival' steunde op een onderbouwd onderzoek naar de (lokale) gotische traditie naast een katholieke ideologie. In de 19de eeuw was er een vernieuwde belangstelling voor verschillende eerdere meubelstijlen, waarbij elementen eclectisch werden gecombineerd met elkaar, met nieuwe ideeën en moderne technieken en materialen. Kenmerken van de neogotische stijl zijn bijvoorbeeld de briefpanelen aan de wieg of het ajour maaswerk op de rugleuning van enkele stoelen. De met textiel beklede stoelen gaan dan weer terug op de in de 17de eeuw populaire Spaanse mansstoelen met onder meer de uitgesproken stoffeernagels. De meeste van de meubels en de objecten in deze verzameling zijn ook versierd met (een patroon van) rozetten.