Aan het einde van zijn leven kreeg de Brusselse art-nouveau-architect Paul Hankar de opdracht om een buitenverblijf met atelier te ontwerpen voor de bevriende kunstenaar en edelsmid Philippe Wolfers. In 1899 had Wolfers samen met zijn broer Max en hun neef Albert een groot perceel gekocht in Terhulpen, waar ze elk een cottage lieten bouwen. Het totaalconcept baadde in een oosterse sfeer, eigen aan het artistieke klimaat van die tijd. Er was een Japanse tuin en Philippe Wolfers’ Villa Les Glycines, wat blauweregen betekent, had overdekte balkons en gestileerde balustrades als een Chinees paviljoen. De japonistische vormgeving manifesteerde zich het sterkst in het interieur van het rooksalon, waarvoor Hankar onder meer deze kruk ontwierp. De geprofileerde houtverbindingen, de gekruiste lederen stroken van de zitting en de combinatie van donkere en lichte houtsoorten zijn kenmerkende oosterse elementen. Voor de opbouw van het meubel toonde Hankar zich ook schatplichtig aan de neo-Vlaamse renaissance van zijn leermeester Hendrik Beyaert en aan het rationalisme van de Franse architect Eugène Emmanuel Viollet-Le-Duc. De oosters geïnspireerde rookkamer stond in contrast met de aanpalende klassiekere vertrekken, ingericht met massieve en gestoffeerde meubelen. Het museum bewaart ook twee stoelen en een kleine tafel uit hetzelfde rooksalon. Over de herkomst van een derde stoel in de collectie bestaat enige onduidelijkheid. Daarnaast omvatte het oorspronkelijke ensemble nog een grote tafel en een zitbank.