De art-nouveau- en art-decoperiode kende in Frankrijk een heropleving van dinanderie, een techniek genoemd naar de stad Dinant, die sinds de 13de eeuw een rijke traditie in koper- en messingbewerking heeft. Vooral de jaren 1920–1930 worden beschouwd als de gouden eeuw van de dinanderie. Kunstenaar Jean Dunand ontwikkelde rond 1907-1908 een nieuwe techniek van 'incrustation coulée', waarbij hij de traditionele dinanderie naar een hoger niveau tilde door metaal te combineren met gekleurde inleg. Deze techniek vond navolging bij de Franse edelsmid Claudius Linossier. Zijn oeuvre bestaat overwegend uit metalen bolle of conische vazen en kommen met geometrische patronen en een kleurenpalet van rood (koper), wit (zilver) en zwart (ijzer). Griekse vazen uit de oudheid vormden een belangrijke inspiratiebron voor zijn vormentaal. Deze vaas sluit aan bij de art deco-dinanderie, gekenmerkt door geometrische decoratie, een opvallend kleurenpalet en een gebrek aan reliëf. Bij de opening van het museum in 1923 in Hotel de Coninck maakte dit stuk deel uit van de collectiepresentatie. Op een historische zaalzichtfoto is te zien hoe de vaas, samen met andere eigentijdse metalen sierobjecten, werd opgesteld in een vitrine binnen een 18de-eeuws interieur.